Maakt vechtsport agressief?

Zie ook

Maakt vechtsport agressief?
Een verkenning van onderzoek, ervaring en visie

Het publieke debat over de toepassing van vechtsport bij het reguleren van agressie kende afgelopen week na aanleiding van het artikel in het AD (4 augustus 2011) een verhitting. ‘Moeten we straattuig nu ook nog de wapens geven?’, was een veelgehoorde opmerking. Nu de gemoederen zijn bedaard, willen we vanuit het NIVM inhoudelijk motiveren waarom wij geloven in de kracht van de vechtsport. De vraag die daarbij centraal staat is ‘Maakt vechtsport daadwerkelijk agressief?’

Vechtsporten, een containerbegrip
Wat bedoelen we eigenlijk met de term vechtsporten? De Van Dale omschrijft vechtsport als ‘een sport die bestaat uit een bepaalde vorm van vechten’. Wij hanteren liever de brede definitie van de vechtsporten, zodat dit alle vormen van – en gevechtssporten uit zowel Oosterse als Westerse oorsprong omvat. Er bestaan meer dan 80 verschillende vormen van vechtsport in Nederland. Ieder met hun eigen regels en technieken. De populairste vormen in Nederland zijn o.a., karate-do, taekwondo, judo, kickboksen, aikido, boksen en worstelen. Er is een groot verschil tussen de traditionele vechtsporten en de modernere Westerse vechtsporten. Binnen de Westerse vechtsport staat het competitie element centraal: het hoogst haalbare in de sport is een Olympische medaille. Binnen de traditionele vechtsporten staat de persoonlijke ontwikkeling centraal: het gaat niet om het verslaan van een externe tegenstander, maar om het verslaan van de interne. In de regel omvat elke vechtsport in meer of mindere mate een pedagogische basis. Dit pedagogisch fundament wordt als vertrekpunt genomen bij de inzet van de sport als instrument.

Waarom gebruiken we de vechtsporten als pedagogisch instrument?
De wetenschap onderkent in hoofdlijnen drie psychosociale effecten van vechtsportbeoefening op de vorming van jongeren; een positief effect, geen effect en een negatief effect. Aan de ene kant wordt door wetenschappers verondersteld dat vechtsport een positief effect heeft op de vorming van jongeren op het gebied van zelfvertrouwen, zelfbeeld, sociaal gedrag, persoonlijke groei, zelf-acceptatie en weerbaarheid (Duthie et al, 1978, Konzak & Klarova, 1980; Richman & Rehberg, 1986; McGowan & Miller, 1989; Layton, 1990; Kurian et al., 1993; Kurian et al., 1994; Theeboom en De Knop, 1999; Najafi, 2003; Lakes & Hoyt, 2004; Kuan & Roy, 2007; Steyn & Roux, 2009). Een tweede groep wetenschappers concluderen dat vechtsportbeoefening noch een positief, noch een negatief effect heeft op het gedrag (Wargo et al, 2007). Aan de andere kant zijn er wetenschappers die een negatief effect constateren (American Academy of Pediatrics, 1997; Pearn, 1998; David, 2005; Bottenburg en Heilbron, 2006). De aanbevelingen en lessen voor een verantwoorde en pedagogische inzet van vechtsport kunnen met name getrokken worden uit de aanbevelingen van de laatste groep onderzoekers. Het negatieve effect van vechtsport op de vorming van jeugd hangt volgens de onderzoekers vooral samen met de ‘desportificatie’ en de fysieke randvoorwaarden voor het beoefenen van veilig en verantwoord vechtsportonderwijs. Als vechtsportbeoefening wordt ingezet als instrument, waarbij men streeft naar een positief effect op de vorming van jongeren, dan dient men rekening te houden met de aard en type van vechtsport en de mate van de borging van de fysieke veiligheid van het kind (bv. geen stoten of trappen naar het hoofd). Het programma Tijd voor Vechtsport heeft dit advies ten harte genomen heeft dat in het ontwerp van het programma ingebed.

Is vechtsport ook geschikt om agressie te verminderen?
Wetenschappers hebben ook veelvuldig onderzoek gedaan naar de relatie tussen vechtsport en agressie. In de beeldvorming is dit een sterke associatie waarmee een buitenstaander gemakkelijk een negatieve relatie kan veronderstellen. Is dat in de praktijk ook zo? Veel vechtsportbeoefenaars zullen het kalmerende en agressie regulerende effect van vechtsportbeoefening onderkennen. Zij ondervinden het aan hun lijve. Een buitenstaander kan dat niet. Uit de wetenschappelijke literatuur komen er wederom diffuse signalen. Er is een groep wetenschappers die, op basis van een cross-sectioneel en longitudinaal onderzoeksdesign, een positief effect waarnemen op het verminderen van agressie (Rothpearl, 1980; Nosanchuk, 1981; Daniels & Thorton, 1990; Skelton et al., 1991; Daniels & Thornton, 1992; Edelman, 1994; Lamarre & Nosanchuk, 1999; Bjorkqvist & Varhama, 2001; Zivin et al., 2001). De tweede groep onderzoekers vinden geen enkel effect van vechtsportbeoefening op de mate van agressief gedrag (Reynes & Lorant, 2001; Wargo et al, 2007). De derde groep wetenschappers onderscheiden een negatief effect van vechtsportbeoefening op het gedrag (Reynes & Lorant, 2002; Endresen & Olweus, 2005). De literatuur is niet eenduidig. De wetenschappers die positieve effecten veronderstellen, zijn ruimschoots in de meerderheid, maar het kleine aantal tegenstanders in de literatuur wijzen vaak op de lage bewijskracht. Wederom zijn er belangrijke lessen, aandachtspunten en aanbevelingen bij de onderzoekers van een negatief effect te vinden. Tegenstanders van vechtsport halen veelvuldig het onderzoek van Endresen & Olweus aan. Deze twee onderzoekers constateerden dat jongens die aan boksen, worstelen of gewichtheffen deden een toename in hun antisociaal gedrag lieten zien. Bij andere takken van vechtsport was dit effect minder duidelijk. De specifieke activiteiten, de ontwikkeling van fysieke kracht en de hardheid en machocultuur, die met deze sporten gepaard gaan, dragen volgens de onderzoekers bij dat het asociale gedrag wordt aangeleerd dan wel versterkt. Wim Slot van de Vrije Universiteit prijst de onderzoeksresultaten (in Trouw). Onderzoekers Sleijfer(2005) en Theeboom (2007) zetten vraagtekens bij de validiteit van het onderzoek en zijn van mening dat de lesgever een grote invloed kan hebben op het resultaat. Nadere lezing leert echter dat de onderzoekers helemaal niet stellen dat de vechtsportbeoefening zelf jongens agressiever maakt. Het is juist het klimaat binnen een club en het gedrag van de trainer dat van invloed is op het gedrag van de onderzochte jongeren. Het devies is slechte leraren leveren slechte leerlingen af. Een aanvullende kanttekening die de Koninklijke Nederlandse Krachtsport en Fitnessfederatie maakt, is de volgende: “Een laatste punt is de vooringenomenheid waarmee zogenaamde ‘experts’ zich de laatste dagen hebben uitgelaten over de uitkomsten van het onderzoek en de vechtsporten. De uitlatingen lijken gespeend van ieder inzicht in wat zich daadwerkelijk in goede vecht- en krachtsporttraining afspeelt. Het getuigt van een vooringenomen positie ten opzichte van de vechtsport, die op niets anders gebaseerd lijkt te zijn dan vooroordelen. Dit is waarschijnlijk de reden waarom deze personen de uitkomsten van het onderzoek wel heel gekleurd hebben geïnterpreteerd”.

Het is Tijd voor Vechtsport 2006 – 2010
Het Noorse onderzoek is eigenlijk een bevestiging van de gekozen koers van de georganiseerde sport. In landelijke projecten zoals Krachten Bundelen, Opvoeden op de mat en Samen Sterk werd al gepleit voor kwalitatief goed en verantwoord vechtsportonderwijs. De trainer is niet alleen het rolmodel voor jongeren, hij of zij bepaalt ook het pedagogisch leerklimaat binnen de les, de cultuur binnen de club en waarborgt de (fysieke) veiligheid van de jeugd. De georganiseerde sport wilde in een toekomstig programma ook duidelijk inzetten op de meer traditionele en pedagogische uitgangspunten van de vechtsporten; competitie werd een bijzaak. De succesvolle inzet van vechtsport als instrument was dus gebonden aan voorwaarden. Op basis hiervan werd het programma Tijd voor Vechtsport ontworpen en mogelijk gemaakt met overheidssteun van VWS.

Tijd voor Vechtsport is van 2006 – 2010 een programma geweest van de Koninklijke Nederlandse Krachtsport en Fitnessfederatie (KNKF) in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Het programma benutte de specifieke kenmerken van sporten – zoals gewichtheffen, worstelen, powerliften, sumo-worstelen, touwtrekken, bodybuilding, fitness, taekwondo, karate, boksen, Thai-boksen, mixed-martial arts en aanverwante sporten – voor integratie en persoonlijke ontwikkeling van allochtone jeugd. In Nederland zijn er bij 100 vechtsportclubs in totaal 111 participatie-, preventie- en zorgprojecten uitgevoerd. De steden waarin het programma Tijd voor Vechtsport werd uitgevoerd zijn; Amsterdam, Arnhem, Utrecht, Nijmegen, Rotterdam, Den Haag, Enschede, Tilburg, Eindhoven, Dordrecht en Zaanstad. Projecten in het kader van Tijd voor Vechtsport zijn uitgebreid gemonitord en onderzocht. Het ministerie van VWS heeft de projectdoelstellingen gemonitord.
Het Mulier Instituut heeft daarnaast de 100 participatie en preventieprogramma inhoudelijk onderzocht. Dit onderzoek heet ‘Beloften van vechtsport’ (Elling & Wisse,2010). De onderzoekers concluderen dat gesteld kan worden dat vechtsportdeelname een positieve bijdrage kan leveren aan het verbeteren van het psychosociaal functioneren van jongeren en aan maatschappelijke (re-) integratie. De resultaten van het onderzoek zijn weliswaar vooral gebaseerd op zelfrapportage van jonge vechtsporters, hun ouders en trainers, maar bieden voldoende ondersteuning voor het vaststellen van een algemeen positief resultaat.
De DSP-groep heeft meerjarig onderzoek gedaan naar de 11 sportzorgtrajecten, waarbij vechtsport als interventie binnen elf jeugdzorginstellingen is ingezet. Dit onderzoek heet ‘Vechtsport in de jeugdzorg’ (Buysse en Duijvesteijn,2011). De onderzoekers concluderen dat de overeenstemming die er is tussen de kwantitatieve resultaten en de verschillende onderzochte groepen (trainers, hulpverleners en jongeren zelf) en de ondersteuning daarvan op kwalitatieve bevindingen, voldoende aanleiding geeft om tot een positieve conclusie te komen (vechtsport in relatie tot agressieregulatie).

Het programma Tijd voor Vechtsport heeft op grote schaal docenten aanvullend geschoold. Hetzij door het volgen van sporttechnische opleidingen van docenten bij de eigen sportbond, tot het uitgebreid scholen van docenten op het gebied van pedagogisch verantwoord vechtsportonderwijs en zelfs op het gebied van agressieregulatie en weerbaarheid.
Om het pedagogisch klimaat binnen de vechtsportclub te kunnen borgen en voor de buitenwereld zichtbaar te maken, is het Fight Right Keurmerk ontwikkeld. Dit keurmerk is bedoeld om clubs onafhankelijk te toetsen op twee soorten criteria: criteria voor de organisatie (fysieke en sociale veiligheid) en criteria voor de trainers (opleidingen, VOG, EHBO etc.)
Kortom, het programma Tijd voor Vechtsport heeft de aanbevelingen van de critici aangenomen en daarvan geleerd. Met succes! Het programma heeft 13.500 nieuwe leden mogen begroeten en heeft in 2010 de IOC Trophy ontvangen voor haar inzet. Daarnaast heeft ze voor het keurmerk de Sport & Zaken trofee mogen ontvangen. De minister van VWS noemt dit keurmerk zelfs als positief voorbeeld in haar nieuwe beleidsbrief.

Het NIVM
Het Nederlands Instituut voor Vechtsport en Maatschappij (NIVM) is opgericht om de resultaten van vier jaar Tijd voor Vechtsport te borgen en verder te verspreiden. Met de opgedane kennis en expertise wil het NIVM blijvend de inzet van veilig en verantwoord vechtsportonderwijs stimuleren. Zij zet zich binnen uiteenlopende werkvelden in voor een betere samenleving gebruikmakend van de pedagogische mogelijkheden van vechtsport. De vechtsportclubs, zowel georganiseerd als ongeorganiseerd, geeft zij daarin een belangrijke maatschappelijke rol. Daarnaast fungeert het NIVM voor zowel clubs en trainers als kenniscentrum én als front-office voor de vechtsportbonden. Tevens is zij sparringpartner en adviseur van gemeenten, onderwijs, welzijn- en veiligheidorganisaties wanneer het gaat om de aanpak van maatschappelijke thema’s en problematieken middels de inzet van vechtsport.

Stand van zaken
Er is een maatschappelijke discussie op gang gekomen over de rol van vechtsport in de samenleving. Eenzelfde discussie is er vier jaar geleden gevoerd voor aanvang van Tijd voor Vechtsport. We zijn nu vier jaar en 115 projecten verder. De lessen zijn geleerd en de ervaringen zijn opgedaan. Natuurlijk blijven we leren en onze kennis vergroten. Zo heeft Vertongen (2011) een aantal aanbevelingen gedaan m.b.t. doelgroep bepaling en didactische onderwijstypen. Het debat rond vechtsport zal zonder keihard wetenschappelijk bewijs altijd opspelen. Veelbelovend is dan ook het promotieonderzoek van Keren Shahar (2011) van de Universiteit van Tel Aviv die een longitudinaal onderzoek (met controlegroep) heeft gedaan naar de effecten van vechtsportbeoefening. De resultaten zijn in internationaal vooraanstaande bladen gepubliceerd en wijzen op een positief effect van vechtsport op het verminderen van agressie bij jeugd.
Tegenstanders dagen we uit om de discussie op basis van wetenschappelijke onderbouwing te voeren. In het debat is er geen ruimte voor vooroordelen.

Posted in Geen categorie